Na een dikke 12 uur in het vliegtuig, ziek van de hooggespannen verwachting en het laag-bij-de-grondse vliegtuigprakje, valt Bangkok als een zware, hete, stinkende, natte deken over ons heen.
Gelukkig weet ik na al enkele eerdere bezoeken dat we het van Bangkok niet moeten hebben.
Bangkok, de stad der engelen, is allang door God en z’n medewerkers verlaten en is ontdanks de vele uitbundig aanwezige boeddha’s en tempels, door de toeristenjaren heen verandert in een ware poel des verderfs.
We zien er gelukkig te bereisd uit om lastig gevallen te worden door de netjes in het pak gestoken, zogenaamde zakenmannen die, voor de geloofwaardigheid opgesteld bij de tempels, verhalen over de unieke ‘grijp deze alleen vandaag nog enige mogelijkheid om Thaise studenten te helpen en tegelijktijd zelf rijk te worden door gemstenen sieraden te kopen en die met grote winst in eigen land weer van de hand te doen’-kans; de groots opgezette zwendel, die menig onschuldig en goedgelovig toerist, zoals ik ooit was, al een poot heeft uit gerukt.
Ook ontkomen we aan de met date-rape drugs vergiftigde drankjes, die worden ingezet om toeristen volkomen beroofd, berooid, al hun bezittingen en een aantal illusies armer, voor dood achter te laten in een van de vele duizenden stinkende steegjes. De dader een paspoort, wat cash en een creditkaart rijker; een buit die weer verpatst zal worden op de zwarte markt.
De straatschoffies zijn hier scherper geslepen , dan de meest schitterende nepdiamant.
Mijn lief kijkt zijn ogen uit en laaft zich aan alle aandacht waar de Thaise vrouwtjes nu eenmaal elke mannelijke toerist mee overladen en de gekkigheid van deze gesjeesde stad. De eindeloze stroom van nagellakkleurige, toeterende taxi's, tetterende tuktuk's, roekeloze riksja's, wandelende winkeltjes met allerhande prullaria, middelmatige muziek die vanuit provisorisch opgezette tentjes de straten opeisen, krappe kraampjes met fruit, knapperig gefrituurde krekels, spinnen, torren en wormen. Gouden tempels, ladyboys, massagesalons en pingpongshows.
Bangkok, de stad der engelen, in de ban van het aardse slijk.
Het is een heerlijke kakefonie van geuren, kleuren, flikkerende verlichting, roepende verkopers en toeterende taxi’s. Ik voel ik me echter moe en een beetje verloren in alle drukte en lawaai.
Zweten doe je hier als een kaas, die te lang op een te hete feesttafel heeft gelegen en schone frisse lucht is hier slechts een luchtspiegeling.
Ik ben geirriteerd, maar heb niet door dat ’t vermoeidheid is. Ik voel me als een te strak uitgewrongen dweil. Ik mopper, ik zeur en ik zwijg.
“You want massaaaage!?!”, hoor je hier op elke straathoek., maar op dit moment is het alsof ik eindelijk de engelen hoor zingen en de hemel nabij is. Hoogste tijd om die strakgespannen kabels in mijn nek eens liefdevol te laten kneden en dat topzware westerse hoofd te laten rusten in de handen van iemand die wél weet wat ze ermee aanmoet.
Thailand staat wereldwijd bekend om z’n Thai-massage. Een techniek die z'n wortels heeft in drukpuntmassage en die je lichaam in alle bochten en kreukels duwt, om de in het leven opgelopen bochten en kreukels er vakkundig uit te strijken.
Na een dik uur kreunen en gillen en zuchten en steunen (ik wist niet dat m'n lichaam na al die jaren yoga en stretchen toch nog zo stijf kon zijn) en een dikke vier euro lichter, slaat de jetlag eindelijk bewust en genadeloos toe. Ik zwalk de massagesalon uit als had ik al een zware, alcoholbenevelde nacht achter de rug en ik word belaagd door het beruchte manneke met de loodzware hamer, die met blijkbaar met tijdsreizigers net zoveel opheeft, als met al te uitbundige feestbeesten.
En eindelijk wil ik helemaal niets anders meer dan liggen in een lekker fris bedje. Oogjes dicht en snaveltje toe.
Wegwezen hier, zo snel mogelijk en slapen slapen slapen.
De nachttrein in dus. Meteen vanochtend al geboekt naar onze reisbestemming; een paradijselijk, nog onbedorven strand op een eiland in de golf van Thailand dat ik vier jaar geleden met tranen in m’n ogen en beloftes van snelle terugkeer, heb verlaten. Terug naar 'huis' is alles wat ik wil.
Tevergeefs probeert de sensuele cadans van de nachttrein, mijn rusteloze hart te overstemmen.
Vanuit onze comfortabel plek, tussen plastieken tasjes vol lekkernijen, zien we Bangkok aan ons voorbijschuiven. Schommelend en ratelend bewegen we ons langs de in kaars- en kerstverlichting gedompelde, schijnbaar gezellige armoede van de bijna tegen de spoorlijn aangevallen krottenwijken, bestaande uit louter golfplaten als bescherming tegen de blote sterrenhemel en donkere gangetjes als vluchtwegen. Mannen spelen lichtbeneveld een bordspel met bierdopjes, brommerkarkassen worden door geconcentreerde jongeren hoestend tot nieuw leven gewekt. Kindertjes zwaaien vrolijk naar de ‘rijke’ mensen in de voorbijstommelnde trein, een dagelijks terugkerend spel. Schotelantennes als hongerig gapende dinosaurusbaby’s, dienen vaak als voorraadkast. Hier en daar flikkert een drukbekeken t.v als een modern haardvuur. Schone was hangt te drogen in de rookpluimen van brandend afval. De grauwbruine woonstallen steken extra mat af tegen de uitbundig glunderende gouden buurmoskee die bevolkt word door fladderende, feloranje lappen.
Ik probeer te genieten van de treinreis en het feit dat ik in deze ondergewaardeerde rijkdom leef. Ik verlang ernaar om door het geluid en beweging van de trein in slaap gewiegd te worden, maar ik word alleen maar misselijk deze keer.
Misschien had ik dat voorgepelde fruit toch maar beter niet meer kunnen eten...
Na een half doorwaakte nacht en een bruukse verstoring uit de toch nog op het laatst gepakte nachtrust rennen we slaapdronken en met onze zwaar overbeladen rugzakken, opgehitst door een GO NOW GO NOW!! schreeuwende, rondrennende reisleider, naar een bus die ons naar de pier brengt alwaar de boot wacht die ons naar het eiland zal vervoeren. De nog steeds aanwezige, sluimerende misselijkheid komt in de denderende bus tot een hoogtepunt, waarna ik in een van onderen lekkende plastieke tas probeer te kotsen. Gelukkig duurt de reis maar anderhalf uur en hoeven we maar twee keer onnodig over te stappen.
De bootreis brengt me enige verlichting; doordat het nu buiten net zo hard schommelt als in m’n buik, lijkt een en ander elkaar op te heffen. Het uitzicht is prachtig en we hebben een goeie plek weten te bemachtigen tussen een mix van bleke, beetje onzekere nieuwkomers en duidelijk nonchalantere, zwaar ervaren bruingebakken reizigers. De warme zonnestralen strelen m’n bleke winterhuidje terwijl de wind liegt over de temperatuur. Ondanks of dankzij het slappe toeristenbroodje, kom ik weer wat meer tot mezelf. Wie dat dan ook moge zijn op dit moment.
Na de ferryboot-reis nu enkel nog een dolle taxirit over een gesjeesd rollercoasterweggetje door de bergen; met de inmiddels toch wel hele zware tassen naar de pier; onderhandelen over de taxi-bootprijs (go now or wait for more people?) om na een longtailboottripje gedropt te worden op mijn langgekoesterde wensstrand.
We zijn er!
Ik kan neervallen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten